
Schriftelijke vraag van Greet van Gool aan de Minister van Middenstand en Landbouw Middenstand in verband met
Ingediend op 2004.03.24
Het pensioen wordt in principe niet betaald wanneer de gerechtigde in een strafinrichting verblijft of geplaatst is in een instelling. Artikel 147 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen stelt immers: «§ 1. Het rustpensioen, het overlevingspensioen en het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot worden geschorst tijdens de duur van hun hechtenis of hun plaatsing ten opzichte van de gerechtigden die zijn opgesloten in de gevangenissen of geplaatst zijn in de instellingen van sociaal verweer. § 2. Het genot van de uitkering kan hun nochtans behouden blijven zolang ze geen ononderbroken periode van twaalf maanden hechtenis of plaatsing hebben ondergaan. § 3. De gerechtigden kunnen op een uitkering aanspraak maken voor de periode van hun voorlopige hechtenis op voorwaarde dat zij bewijzen dat er ontslag van rechtsvervolging is geweest, dat zij buiten de zaak werden gesteld of dat zij werden vrijgesproken door een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is getreden.»
1. a) Bestaan er cijfergegevens over de schorsing van het pensioen van zelfstandigen ingeval van vrijheidsberoving?
1. b) Van hoeveel personen is de uitkering op dit moment om die reden geschorst?
2. a) Wat gebeurt er bij de invrijheidsstelling?
2. b) Moet de betrokkene opnieuw een aanvraag indienen om zijn pensioen weer te laten uitbetalen of gebeurt de wederbetaling van het pensioen automatisch en ambtshalve?
In antwoord op haar vraag heb ik de eer het geachte lid mee te delen dat ik niet beschik over cijfergegevens omtrent het aantal zelfstandigen wier pensioen geschorst geweest is of momenteel geschorst wordt wegens opsluiting in een gevangenis of plaatsing in een instelling van sociaal verweer. Wat de modaliteiten inzake betaalbaarstelling van het pensioen bij de invrijheidsstelling betreft, verwijs ik naar de heer Frank Vandenbroucke, minister van Werk en Pensioenen. (Vraag nr. 25 van 21 april 2004.)