
Schriftelijke vraag van Greet van Gool aan de Vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken in verband met
Ingediend op 2004.02.11
De introductie van de openbaarheid van bestuur in ons recht was een belangrijke stap vooruit in de relatie tussen de bestuurden en de administratieve overheden. Ingesteld als grondwettelijk principe door artikel 32 van de gecoördineerde Grondwet, wordt voor de federale administratieve overheden de openbaarheid van bestuur geregeld door de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Hoe groot de verdienste van deze wet ook mag zijn, toch rijzen na ongeveer 10 jaar toepassing in de praktijk een aantal problemen die een grondige herwerking van de wet noodzakelijk maken. Er is in de eerste plaats de beroepsprocedure die, zoals blijkt uit recente gevallen die in de pers werden besproken, te zwak is om de bestuurden op een afdoende manier het recht van openbaarheid van bestuur te garanderen. Daarnaast zijn er conflicten met andere wetgeving (auteursrechten, privacy, enz.) die dienen beslecht te worden. Ook de vervanging van richtlijn 90/313/EEG van de Raad - die in de federale openbaarheidswet werd verwerkt - door richtlijn 2003/4/EG van 28 januari 2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie, noopt tot een herziening van de wetgeving. Uit een parlementaire vraag die tijdens de vorige legislatuur door mevrouw Frieda Brepoels aan minister van Binnenlandse Zaken Duquesne werd gesteld (Integraal Verslag, Kamer, 2001-2002, commissie van de Binnenlandse Zaken, 25 september 2002, vraag nr. 7927, COM 829, blz. 28) blijkt dat er op het kabinet van de minister een werkgroep actief was die in samenwerking met de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, een grondige herziening van de wet van 11 april 1994 voorbereidde. Uit het antwoord op de vraag van mevrouw Brepoels blijkt dat het de bedoeling was om tegen de verkiezingen van 2003 zoniet een wetsontwerp dan toch minstens een goed onderbouwd dossier klaar te hebben.
1. Kan u meedelen wat de toestand op dit ogenblik is?
2. Hebben de werkzaamheden van de werkgroep en de commissie geleid tot een dossier of voorontwerp van wet?
3. a) Overweegt u de werkzaamheden rond de herziening van de openbaarheidswet weer op te starten?
3. b) Zo ja, kan u meedelen binnen welke termijn dit tot een wetgevend initiatief kan leiden?
1. Onder mijn voorganger werd inderdaad een werkgroep van externe experten opgericht die tot doel had de voornaamste fundamentele knelpunten van de federale openbaarheidswetgeving in kaart te brengen en voorstellen uit te werken waardoor voor die knelpunten een oplossing zou kunnen geboden worden. Op basis van een knelpuntennota werden er verschillende bijeenkomsten gehouden. Door de wisselingen van personeel in het vorige kabinet werd deze werkgroep niet langer meer bijeengeroepen.
2. Deze werkgroep heeft niet de opdracht gekregen een nieuwe wetgeving op te stellen, maar enkel een aantal grote oriëntaties uit te tekenen die aan de grondslag van een nieuwe openbaarheidswet kunnen liggen.
3. a) Ik heb ondertussen mijn administratie de opdracht gegeven deze werkgroep opnieuw samen te roepen zodat zij zo spoedig mogelijk haar eindrapport kan finaliseren en aan mij kan bezorgen.
3. b) Afhankelijk van het eindrapport en de bevindingen die een beperkte werkgroep, opgezet tussen mijn administratie en de administratie van de FOD Leefmilieu om de implementatie van het Verdrag van Aarhus met betrekking tot de eerste pijler en richtlijn 2003/4/EG van 28 januari 2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie zal ik de nodige stappen zetten die moeten leiden tot een nieuwe federale openbaarheidswetgeving. De implementatie van richtlijn 2003/4/EG zou moeten gerealiseerd worden tegen 14 februari 2005. Het is wenselijk dat een nieuwe federale openbaarheidswet de bestaande wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten zou vervangen.