Logo Greet van Gool
schriftelijke vraag «

Schriftelijke vraag van Greet van Gool aan de Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen Ambtenarenzaken in verband met

het personeelsbeleid in het federale openbaar ambt ten aanzien van personen met een handicap.

Ingediend op 2003.11.27

Vraag:

Op 29 juni 2000 werd door de Europese Raad van de ministers van werkgelegenheid en sociale zaken een richtlijn (2000/43/EG) goedgekeurd ter bestrijding van discriminatie op basis van ras of afkomst inzake werkgelegenheid, opleiding, scholing, toegang tot goederen en diensten, en sociale zekerheid. Daarnaast is er de Europese richtlijn van 27 oktober 2000 (2000/78/EG) tot instelling van een algemeen kader voor de gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep. Deze tweede richtlijn stelt een kader in voor de naleving van het beginsel van gelijke behandeling en viseert aldus elke vorm van directe en indirecte discriminatie op grond van religieuze overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid en dit op het vlak van de toegang tot werkgelegenheid en beroep, de promotiekansen, de beroepsopleiding, de arbeidsvoorwaarden en het lidmaatschap van bepaalde organen. Zij richt zich met andere woorden tot het brede werkgelegenheidsdomein. Deze Europese richtlijnen werden op 25 februari 2003 omgezet in Belgische wetgeving door middel van de «anti-discriminatiewet». De anti-discriminatiewet heeft als doel rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie - onder meer op grond van de huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een lichamelijk kenmerk - te bestrijden en te bestraffen. Deze nieuwe wet bepaalt eveneens dat het ontbreken van redelijke aanpassingen voor de persoon met een handicap een discriminatie vormt. Als een redelijke aanpassing wordt beschouwd, de aanpassing die geen onevenwichtige belasting betekent, of waarvan de belasting in voldoende mate gecompenseerd wordt door bestaande maatregelen. Ook de federale overheidsdiensten moeten van deze problematiek bewust gemaakt worden. De overheid behoort immers het goede voorbeeld te geven door een ver doorgedreven beleid inzake «redelijke aanpassingen» te voeren, zowel qua architecturale toegankelijk als qua werkvoorwaarden en noodzakelijke technische hulpmiddelen. Concreet moet een sensibiliseringscampagne de leidende ambtenaren en personeelsverantwoordelijken hiertoe motiveren. Zowel Selor als de federale overheidsdiensten die zelf rekruteren moeten ook nog bijkomende inspanningen leveren voor de gelijke kansen bij deelname aan selectieproeven en examens, inzonderheid voor personen met een sensoriële handicap. Illustratief voor de bestaande toestand is de klacht die Hervé Eeckman bij het Europees Hof voor de rechten van de mens te Straatsburg moest indienen aangezien hij in België als blinde jurist niet in de gelegenheid werd gesteld om deel te nemen aan examens bij de Raad van State. Dan is er ook nog de bestaande quota-regeling (wet van 16 april 1963) waarbij openbare besturen verplicht worden elk een minimum aantal personen met een handicap in dienst te nemen. De wet bepaalt concreet dat de federale overheid 1 200 personen met een handicap moet tewerkstellen. De uitvoering werd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1972 geregeld en verdeelt dat quotum over de verschillende departementen. Globaal gezien wordt het quotum wel nageleefd, maar per departement niet. Idealiter moet er naar een percentage per Federale Overheidsdienst gestreefd worden. In 1998 werd de wet door de toenmalige minister André Flahaut gewijzigd, maar de twee artikelen die specifiek de tewerkstelling van personen met een handicap bij de overheid betreffen (artikelen 25 en 26) treden pas in werking op de datum die bij koninklijk besluit bepaald moet worden. Dat koninklijk besluit is er nooit gekomen. De vorige minister van Ambtenarenzaken Luc Vandenbossche werkte een nieuw koninklijk besluit uit - dat een nieuwe techniek hanteert - maar het werd ook nooit uitgevaardigd.

1. a) Hoever staat het met de toepassing van de non-discriminatiewet in het federaal openbaar ambt?

1. b) Overweegt u initiatieven te nemen om tot «redelijke aanpassingen» te komen?

1. c) Meer algemeen: overweegt u (of een ander lid van de regering) nog een nieuw wettelijk initiatief te nemen om de bepalingen specifiek omtrent tewerkstelling van de non-discriminatiewet verder uit te voeren zoals de bedoeling was?

2. Welke bijzondere inspanningen werden er totnogtoe gedaan om de aanwervings- en selectieproeven georganiseerd door Selor of de federale overheidsdiensten voor personen met een handicap aan te passen?

3. a) Hoe staat het momenteel met de quota-regeling voor openbare besturen?

3. b) Welke regeling is van kracht?

3. c) Overweegt u een nieuwe regeling uit te vaardigen?

Antwoord:

In antwoord op haar vraag deel ik het geachte lid mede dat deze vraag onder de bevoegdheid valt van de minister belast met Gelijke Kansen en Interculturaliteit. (Vraag nr. 12 van 19 april 2004.)

Labels en certificaten

Valid XHTML 1.0! Correct CSS!

wegwijzer