
Schriftelijke vraag van Greet van Gool aan de Minister van Mobiliteit en Sociale Economie Sociale Economie in verband met
Ingediend op 2003.11.4
De vorige regering heeft de sociale economie ten volle erkend op het federale niveau door voor de eerste keer een minister (Johan Vande Lanotte) aan te stellen die bevoegd is over dit beleidsterrein. De uitdaging was niet gering. Er werd een federale administratie voor de sociale economie uit de grond gestampt en een Interdepartementale Projectgroep (IDP) opgericht. Op 4 juli 2000 - amper één jaar na de start van de vorige legislatuur - werd een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap. Niet minder dan negen ministers hebben zich geëngageerd om de sociale economie in een gezamenlijke strategie te ondersteunen. De doelstelling was drieledig: de tewerkstelling van moeilijk bemiddelbare werkzoekenden bevorderen, de sociale cohesie versterken en een duurzame economische groei promoten. In de sociale economie wordt maximaal gestreefd naar het openbreken van de economie voor alle werkzoekenden. Het is vooral de bedoeling om een inclusief beleid te voeren waarbij iedereen in alle segmenten van de economie aan bod komt. Daarom zijn er aangepaste werkvormen noodzakelijk voor mensen voor wie integratie op de zogenaamde reguliere arbeidsmarkt zo goed als uitgesloten is. Vanuit deze noodzaak ontwikkelden zich de beschutte werkplaatsen voor mensen met een handicap en de sociale werkplaatsen voor mensen die door een cumulatie van persoons- en omgevingsgebonden factoren geen arbeidsplaats binnen het zogenaamde reguliere circuit kunnen verwerven of behouden. In december 1998 kregen zij op Vlaams niveau via een decreet van de Vlaamse regering reeds een officiële erkenning. Vanuit het paritair comité 327 - de sociale partners van de sociale en beschutte werkplaatsen - is er nu ook vraag naar een erkenning van de sector op het federale niveau binnen de bevoegdheid sociale economie. Daarnaast vraagt de sector druk uit te oefenen om de sociale economie als dusdanig te erkennen op Europees niveau. De sociale economie en de tewerkstelling van kansengroepen en personen met een handicap mag immers niet ondergeschikt worden gemaakt aan de Europese concurrentieregels. Door een recente verordening van de Europese Commissie van 12 december 2002 (verordening over de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op werkgelegenheidssteun) dreigt de sector van de sociale economie en haar essentiële maatschappelijke doelstellingen ernstig in het gedrang te komen. De sector maakt zich hierover (terecht) zorgen. Er is dan ook de vraag vanuit het PC 327 naar een contactpersoon binnen de administratie die zich specifiek bezighoudt met het Europese niveau en meer bepaald met de Europese ontwikkelingen rond sociale economie.
1. Ziet u een plaats voor de sociale en beschutte werkplaatsen binnen de sociale economie?
2. Heeft u weet van Europese verordeningen die bedreigend zijn voor de sociale economie?
3. Overweegt u druk uit te oefenen op het Europese niveau ter bescherming van de sociale economie?
4. Overweegt u in te gaan op de vraag van het PC 327 om een contactpersoon binnen de administratie aan te stellen die de Europese ontwikkelingen nauwgezet opvolgt?
Ik heb de eer het geachte lid de volgende inlichtingen te verstrekken wat de mij aanbelangende materies betreft.
1. De sociale werkplaatsen maken wezenlijk deel uit van de sector van de sociale economie. Dit werd nooit betwist en voor alle maatregelen die de federale overheid in deze sector heeft genomen werd steeds rekening gehouden met deze structuren. De beschutte werkplaatsen (BW) voeren terecht aan dat ze deel uitmaken van de sector van de sociale economie. Gelet op hun doelstellingen, hun werking en hun doelgroep voeren deze ondernemingen activiteiten uit waarbij, ethisch gezien, de grondbeginselen van de sociale economie worden nageleefd. Dit werd trouwens evenmin betwist op het niveau van de federale overheid. De BW werden aldus volledig opgenomen in het project tot oprichting van de Federale Raad voor de sociale economie die in de komende maanden zou moeten geïnstalleerd worden. Evenzo, in hoofdstuk XII van de programmawet van 8 april 2003, wat betreft het rekening houden met sociale en ethische voorkeuren in overheidsopdrachten, bepaalt artikel 102, § 2, uitdrukkelijk dat de voorkeur kan worden gegeven aan BW en aan invoegbedrijven in het kader van sommige aanbestedingsprocedures. Ten slotte werden voor de enquête bij de sector van de sociale economie voor de oprichting van een meetpost sociale economie de BW natuurlijk ook aangesproken. Ondanks deze verschillende elementen is, wegens de specificiteit van de BW zowel wat betreft de politieke overheden waarvan ze afhangen als de omvang van deze sector, de prioriteit weliswaar tot nu toe uitgegaan naar aspecten en vraagstukken die tot dan nogal over het hoofd werden gezien. Het lijkt me evenwel gepast dat de realiteit en de problemen waarmee de BW geconfronteerd worden voortaan uitdrukkelijk meer aan bod zouden komen in een federaal beleid inzake sociale economie.
2. Mijn voorganger heeft een beroep tot nietigverklaring ingediend in het kader van verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun. De procedure is aan de gang en ik volg ze op de voet.
3. Bijzondere aandacht wordt regelmatig besteed aan het thema van de sociale economie in het kader van de verschillende Europese voorzitterschappen. België heeft deze trend natuurlijk gevolgd door het organiseren van twee conferenties tijdens zijn jongste voorzitterschap. In de marge van de Europese conferenties zijn deze evenementen voor de bevoegde administraties de gelegenheid om de praktijken te toetsen en om van gedachten te wisselen over de institutionele ervaringen van de sector van de sociale economie. Omdat het de bedoeling is deze ontmoetingen te officialiseren en ze los te maken van een officiële agenda van conferenties, werd overeengekomen dat een gestructureerd netwerk van de administraties bevoegd inzake sociale economie zou worden uitgewerkt. Ik ondersteun vanzelfsprekend dit initiatief en ik ben van plan België zijn rol van drijvende kracht op het gebied van de sociale economie op Europees niveau verder te laten spelen, in nauwe samenwerking met de Europese partners.
4. De Europese aspecten van het beleid en van de ontwikkelingen inzake sociale economie werden steeds opgevolgd door een persoon van de administratie, die deze taak verder zal uitvoeren.