
Schriftelijke vraag van Greet van Gool aan de Minister van Mobiliteit en Sociale Economie Sociale Economie in verband met
Ingediend op 2003.11.04
Arbeidszorg is een vorm van semi-formele tewerkstelling. Het omvat een aanbod van arbeidsmatige activiteiten die geboden worden aan mensen die niet terecht kunnen in de bestaande circuits. Het gaat dus om mensen die enerzijds uit de boot van het reguliere arbeidscircuit vallen maar anderzijds ook niet terecht kunnen in de beschutte en sociale werkplaatsen. Het betreft met andere woorden de allerzwaksten van de maatschappij die financieel afhankelijk zijn van een uitkering, maar die zich toch nuttig willen maken in de maatschappij. Er wordt geen echte verloning, noch een arbeidsstatuut aan deze tewerkstelling toegekend, en tal van beschermende arbeidswetgeving is op dit segment niet van toepassing. Arbeidszorg wil ook voor deze groep het recht op arbeid garanderen waarbij de functies van arbeid op het vlak van zelfontplooiing, structureren van tijd, maatschappelijke participatie, erkenning en zinvolle tijdsbesteding voor het individu centraal staan. Op Vlaams niveau werd in november 2001 het decreet inzake de sociale werkplaatsen gewijzigd zodat arbeidszorg erkend werd en als functie ondergebracht werd bij de sociale werkplaatsen. Sociale werkplaatsen die minstens een erkenning hebben voor tien voltijdse arbeidsplaatsen kunnen een beroep doen op een omkaderingspremie voor de begeleiding van arbeidszorgmedewerkers. Met het oog op de bescherming van de doelgroepmedewerkers is het belangrijk dat ook aan een antal voorwaarden op federaal niveau voldaan wordt: - de kwaliteit van de begeleiding en ondersteuning moet gegarandeerd zijn: - de doelgroepmedewerker moet deze onbezoldigde arbeidsmatige activiteiten kunnen uitvoeren met behoud van zijn/haar uitkering of tegemoetkoming (ZIV-uitkering, werkloosheidsuitkering, inkomensvervangende tegemoetkoming, leefloon, enz.); - de arbeidsrechtelijke aspecten van deze onbezoldigde tewerkstelling moeten geregeld zijn (veiligheid op het werk, burgerlijke aansprakelijkheid, arbeidsongevallen, enz.). Op deze vlakken knelt het schoentje nogal eens.
1. Welke visie heeft u op het uitsluitend Vlaamse fenomeen van de arbeidszorg?
2. a) Bent u zich bewust van de knelpunten die momenteel bestaan, betreffende het statuut van de arbeidszorgmedewerker op federaal niveau?
2. b) Kunnen deze knelpunten in kaart gebracht worden?
3. Welke oplossingen hoopt u aan te reiken voor de toekomst?
Ik heb de eer het geachte lid de volgende elementen ter kennis te brengen.
1. Arbeidszorg draagt bij tot de herinschakeling en valorisatie van sommige kansarme doelgroepen. Arbeidszorg wordt uitgeoefend in twee soorten structuren. Enerzijds binnen de sociale werkplaatsen, die een subsidie krijgen voor de begeleiding, en anderzijds door niet-erkende structuren die hun inkomsten halen uit de producten van hun activiteiten. In het kader van de sociale werkplaatsen genieten de arbeidszorgmedewerkers een zekere bescherming, aangezien de sociale werkplaatsen bepaalde verzekeringen moeten afsluiten om de subsidies voor begeleiding, zoals voorzien in het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1998, te ontvangen. In het kader van de niet-erkende structuren bestaat deze verplichting tot het afsluiten van een verzekering niet: geen enkele wettelijke bepaling reglementeert laatstgenoemde structuren. Ik constateer hierbij dat de arbeidszorg als een systeem met twee snelheden functioneert. In het geval van de sociale werkplaatsen genieten de arbeidszorgmedewerkers van een verzekering en een zekere kwaliteit van de arbeid. In het geval van de andere, niet-erkende, structuren, worden dergelijke verzekeringen en kwaliteit niet gegarandeerd. Bovendien is het statuut van de arbeidszorgmedewerker in het algemeen nogal ambigu. Als begunstigde van werkloosheidsuitkeringen of andere sociale zekerheidsuitkeringen, «werkt» hij of «houdt hij zich bezig» binnen een structuur die niet enkel een job biedt, maar ook een individuele begeleiding. Men heeft het over een «arbeidszorgovereenkomst», wat niet hetzelfde is als een arbeidsovereenkomst, en een «begeleidingsplan». Ondanks mijn grote belangstelling voor deze problematiek ben ik, als federaal minister van Sociale Economie, echter niet bevoegd om reglementair op te treden op dit gebied. Ik neem dus kennis van deze dubbelzinnigheid en ik engageer me ertoe om bepaalde eisen die mij worden overgemaakt door te sturen naar mijn collega's, de voor dit dossier bevoegde ministers binnen de gewestregeringen. Het samenwerkingsakkoord sociale economie voorziet ruimte tot discussie tussen de federale overheid en de gewest- en gemeenschapsregeringen. Ik zal deze discussiemogelijkheid benutten om dergelijke problematieken aan te kaarten.
2.
2. a) Het statuut van de medewerkers in de sector van de arbeidszorg is ongetwijfeld de meest in het oog springende problematiek. Zoals ik hierboven reeds aanhaalde, wordt arbeidszorg georganiseerd binnen twee verschillende soorten structuren. De eerste soort (de sociale werkplaatsen) zijn gereglementeerd, de tweede soort niet. Het statuut van de arbeidszorgmedewerker verschilt naargelang de soort structuur waarbinnen hij werkt.
2. b) De problematiek van het statuut van de arbeidszorgmedewerker kan worden aangepakt vanuit het oogpunt van de federale bevoegdheden inzake werkgelegenheid en sociale economie. De federale bevoegdheden laten mij niet toe om de onthaalstructuren van de arbeidszorgmedewerkers te reglementeren. Dit is een taak waartoe ik mijn collega's binnen de gewestregeringen ten zeerste aanmoedig. Op het federale niveau verbind ik mij ertoe om te werken rond arbeidsovereenkomsten en arbeidszorgovereenkomsten. Dit zijn instrumenten die zowel in Vlaanderen als in Wallonië gebruikt kunnen worden en voor dewelke de basisvoorwaarden identiek moeten zijn.
3. Indien oplossingen moeten worden gevonden, moet dit eerst en vooral op gewestelijk vlak gebeuren. Sommige invalshoeken van het federaal beleid inzake sociale economie kunnen evenwel ook gevolgen hebben op het gebied van arbeidszorg. In een van de conclusies van de subwerkgroep sociale economie van de werkgelegenheidsconferentie werd aldus de nadruk gelegd op de noodzakelijke verbetering van de kwaliteit van de arbeid in de ondernemingen van sociale economie. Deze verbetering van de kwaliteit van de arbeid en de ontwikkeling van algemene systemen voor kwaliteitsbewaking zullen zeker een invloed hebben op de activiteiten van arbeidszorginitiatieven. Ten slotte, vanuit een algemeen oogpunt beschouwd, ben ik van mening dat een minimumstatuut voor de werknemer in een inschakelingsproces best zou worden vastgelegd. Het gaat hier andermaal om een benadering die veel verder reikt dan de sector van de arbeidszorg, aangezien het de bedoeling is een statuut te bepalen met sommige eisen, criteria of voorwaarden die men moet aantreffen in elke arbeidsovereenkomst aangeboden aan personen in een inschakelingsproces, ongeacht ze stagiairs zijn of tewerkgesteld worden door een inschakelingsbedrijf of een arbeidszorgcentrum. Ik wil al deze acties ontwikkelen in het kader van het samenwerkingsakkoord betreffende de sociale economie, met de medewerking van mijn collega's de federale minister van Werk en de gewestelijke ministers van Werkgelegenheid.